
Geboren in een provinciestad in Noord-Holland, naast de Koeienmarkt, met een vader en grootvader die beiden zadelmaker waren, zou je denken dat ik voorbestemd was om ‘in de paarden' te geraken. Lang leek het daar echter niet op, omdat mijn familie nada met paarden had en op het moment dat mijn zus en broer gingen paardrijden was ik arme student en kon niet meedoen. Zo kabbelde mijn leven voort via andere sporten, studentensport en leuke vriendinnen.
Tot dat ik mijn (toen nog toekomstige) vrouw leerde kennen, die had altijd al wat met pony's en paarden gehad omdat een van haar oma's hippisch was. Tsja, van zo'n ontmoeting komt het een en het ander en na ons huwelijk gingen we met vakantie naar een vroegere vriendin van haar in Engeland.
Daar kwamen we het bewuste paard uit de inleiding tegen, een half-Arabier ruin genaamd Gussy. Ik vond hem eng omdat hij de hele tijd bewoog, met zijn neusgaten snoof en dribbelde en draaide. Zelfs gewoon vasthouden van het touw (later: de lijn) aan zijn hoofdding (later: halster) was al een geestelijke overwinning van formaat. Het aangeven van kleine bezems zonder steel (later: poetsborstel) en gekke schroevendraaiers (later: hoefkrabber) bleek echter niet moeilijk en zo leerde ik in de loop der tijd toch wat meer over dit onderlijke dier en zijn soortgenoten. En de mensen die er boven op zaten (later: ruiters en amazones).
Kort en goed, en ik zal later op deze periode nog wel eens terugkomen, uiteindelijk verhuisden we met een hele stal vol met paarden en drie kleine kinderen naar het Brabantse platteland.
En wat doen kleine kinderen? Yep: op kleine pony's rijden. En op het moment dat de achterklep van onze trailer open gaat en er niet 1 maar 2 zwarte Shetlandpony's uitstapten (‘hoe kan dat nou? We hebben er maar 1 in gedaan'), op dat moment begint mijn taak als vader en groom. Of als groom en vader ... voom en grader ... grooder en vaam ...