
Soms denk ik dat Pia, mijn ruiter, niet precies weet hoe en wat wij paarden zien. Anders zou ze toch niet van mij eisen, dat ik haar onder de bomen ga volgen. Dicht achter mij aan gaat Romeo, mijn weidemaatje. Ik kan hem niet zien, omdat hij met zijn neus aan mijn staart zit te snuffelen en daarmee uit mijn blikveld is verdwenen. Maar ik kan wel horen, hoe zijn ijzers op het asfalt klakken. Hij heeft dat grote, rare ding waarschijnlijk nog helemaal niet gezien, die lichte onscherpe vlek.

Afbeelding: "Paarden zien minder scherp dan mensen."
Scherp of onscherp
Ik blijf staan en draai mijn hoofd heen en weer, om dat ding scherp te kunnen zien. Scherp zien kan ik namelijk maar binnen een smal bereik – en pas dan als ik met beide ogen het punt kan registreren. Dat ding vind ik eng. Ik span mijn spieren aan. Hoe graag zou ik mij nu willen omdraaien en weglopen. Pia praat me bemoedigend toe: "Kom hier, Lancelot, die steen doet niks. Die lag er gisteren toch ook al." Maar dat klopt niet. Ze vergist zich, gisteren heb ik die steen namelijk niet gezien. Jenny, Romeo´s mens, heeft een idee: "Pia, leid hem toch gewoon vanaf de andere kant naar die steen." Pia leidt mij in een halve cirkel achter die vlek. Nu zie ik dat ding met mijn rechteroog. Oké, van hier uit heb ik dat ding al eerder gezien. Ken ik – dat ding dat Pia 'steen' noemt. Ik adem diep uit en ontspan. Pia gaat weer op mijn rug zitten, Jenny klimt op Romeo en dan gaan we richting bos en velden. Romeo loopt nu naast mij. Er is veel te zien. Ik zou graag de hele tijd mijn hoofd een beetje naar links en rechts draaien, zodat ik ook kan zien, wat zich direct voor me afspeelt. Dat gaat helaas niet, omdat Pia met haar teugels mijn hoofd rechthoudt. In mijn rechter blikveld duikt ineens een lang, dun ding op. Een stap verder is het weer weg. Oh nee, het wil aanvallen en verstopt zich! Ik schrik en blijf als versteend staan. Mijn eerste gedachte: hoofd omhoog en dan eerst even kijken. Verdorie, dat gaat niet, want Pia houdt die teugels strak. Hè, zo kan ik toch niet zien wat het is. Mijn hart gaat tekeer. Ik richt mijn oren naar voren, omdat ik dat ding niet meer kan zien. Waar is ie nou? Totaal onverwachts krijg ik hulp van Jenny: "Pia, laat hem toch even kijken. Lancelot kan dat bord alleen zien, als hij zijn hoofd licht heen en weer kan draaien." Dankjewel, Jenny! Je hebt een wortel van mij tegoed. Pia laat de teugels voorzichtig een beetje vieren. Ik draai mijn hoofd voorzichtig naar rechts. Daar is dat ding weer. Gebiologeerd staar ik naar een grijs iets. Als ik mijn hoofd naar links draai, is het weer rechts. Oké, dat dunne ding lijkt niet te willen aanvallen. Pia spreekt zachtjes tegen me: "Lancelot, dat is toch maar een straatbord." Dan voel ik haar een been geven en we lopen verder. Na een paar minuten zien we de velden voor ons. Pia vraagt me om te draven. Dus draaf ik er vrolijk op los. Romeo zou graag echt gas willen geven, maar Jenny houdt hem terug. In de bak heeft hij daarvoor een slimme truc – hij maakt zich dan helemaal rond in de hals en van enig contact is er dan geen sprake meer. Eigenlijk heb ik wel zin om te gaan galopperen.

Afbeelding: "Als een paard een persoon alleen met het rechteroog ziet, neemt het paard die persoon ook alleen rechts waar."
Herinneren in plaats van zien
Zal ik die truc met die ingerolde nek ook eens proberen? Ik buig mijn nek en zie alleen nog maar zand en gras, maar niet meer wat voor mij gebeurt. Dat maakt me onzeker. Dus steek ik mijn neus weer naar voren en blijf aan de teugel. Tenslotte komen wij bij een lange, rechte weg. Yuppie, ik mag eindelijk galopperen zo snel ik kan. Aan de rand staan struiken en bomen. Een tak is afgebroken en ligt dwars op de weg. Dat doet me denken aan de hindernis bij de springles gisteren. Ik zie die tak weliswaar onscherp, maar met mijn ervaring krijg ik die sprong goed voor elkaar. Oeps. Wat was dat? Een geluid in de bosjes. En ik kan niet zien waar het vandaan komt. Daarvoor zou ik moeten blijven staan en mijn blik fixeren. Daar is iets. Ik zie een beweging – blauw en geel. Ik aarzel, maar Pia oefent druk uit. Geschrokken spring ik opzij. Pia wil me berispen, maar Jenny onderbreekt haar: "Hij ziet die plastic tas daar in de bosjes", vertelt zij en vult aan: "Gele en blauwe kleuren zien paarden bijzonder goed, maar zij hebben wel een rood/groenzwakte." Nu heeft zij een hele zak wortels van mij tegoed. Uiteindelijk komen we bij een bos. Zal ik die truc met die ingerolde nek ook eens proberen? Ik buig mijn nek en zie alleen nog maar zand en gras, maar niet meer wat voor mij gebeurt. Dat maakt me onzeker. Dus steek ik mijn neus weer naar voren en blijf aan de teugel. Tenslotte komen wij bij een lange, rechte weg. Yuppie, ik mag eindelijk galopperen zo snel ik kan. Aan de rand staan struiken en bomen. Een tak is afgebroken en ligt dwars op de weg. Dat doet me denken aan de hindernis bij de springles gisteren. Ik zie die tak weliswaar onscherp, maar met mijn ervaring krijg ik die sprong goed voor elkaar. Oeps. Wat was dat? Een geluid in de bosjes. En ik kan niet zien waar het vandaan komt. Daarvoor zou ik moeten blijven staan en mijn blik fixeren. Daar is iets. Ik zie een beweging – blauw en geel. Ik aarzel, maar Pia oefent druk uit. Geschrokken spring ik opzij. Pia wil me berispen, maar Jenny onderbreekt haar: "Hij ziet die plasti tas daar in de bosjes", vertelt zij en vult aan: "Gele en blauwe kleuren zien paarden bijzonder goed, maar zij hebben wel een rood/groenzwakte." Nu heeft zij een hele zak wortels van mij tegoed. Uiteindelijk komen we bij een bos.

Afbeelding: "Als die persoon de paraplu laat zakken en minder dan twee meter voor het paard staat, kan het paard haar helemaal niet zien."
Het licht verblindt me
Als wij uit het bos komen, wordt het al donker. "Een half uur hebben we zeker nog nodig, voor we terug bij de stal zijn", waarschuwt Pia. Uit voorzorg, omdat ze bang zijn dat wij de weg niet meer kunnen zien, laten Pia en Jenny ons stappen. Twee keer draaf ik aan, om Pia te laten zien, dat het invallende donker voor mijn ogen geen probleem is. Maar zij begrijpt me niet. "Je hebt zeker honger, Lancelot, en daarom zo'n haast om naar huis te komen." Ik geef het op. Dan maar gewoon stappen. Een half uur later is het donker. Net voor we bij een kleine straat afslaan richting stal, komt een fel licht op ons af. Ik zie helemaal niets meer. Ik kan noch zien wat er op ons afkomt, noch waar ik mijn hoeven moet neerzetten. "Laten we even wachten tot de auto voorbij is", hoor ik Jenny zeggen. Romeo en ik mogen blijven staan. "Paardenogen hebben veel meer tijd nodig om aan andere lichtomstandigheden te wennen", legt Jenny uit. Jeetje, Jenny, jij weet wel een heleboel over ons. Bij de stal aangekomen, neemt Pia buiten het zadel van mijn rug. Op weg naar mijn stal schakelt zij het licht aan op de poetsplaats. Plotseling is het weer licht- en ik zie weer helemaal niks meer. Ik wacht tot mijn ogen aan de helderheid gewend zijn. "Wat is er aan de hand, mijn Lanci?" Pia aait me liefdevol. "Wil je helemaal niet naar je stal? Vond je het uitstapje zo leuk? Dan gaan we morgen nog een keer, dat beloof ik." Als mijn ogen eindelijk weer de weg naar mijn stal kunnen herkennen, loop ik doelgericht naar mijn strobed. Geen slecht idee om morgen weer naar buiten te gaan. Maar we kunnen het beste Jenny meenemen, en Romeo. Zo, en nu ga ik eerst eens lekker van mijn hooi genieten.

Afbeelding: "Komt de persoon vervolgens van links, dan denkt het paard dat hij de persoon voor het eerst ziet."
Blik in het donker
Paardenogen zien met een blikveld van ongeveer 330 graden. Het veruit grootste deel van het blikveld (ongeveer 210 graden) wordt monoculair, dus met maar een oog, waargenomen. Om het kleine bereik te benutten waarin het paard binoculair ziet, met beide ogen dus, moet het zijn hoofd direct op het object, dat hij beter wil zien, richten.De afstand tot het object moet daarbij groter zijn dan twee meter, want een paard ziet niet, wat er direct voor hem gebeurt.
Scherptediepte: Paardenogen zien tegelijkertijd ver en dichtbij, daardoor zien ze maar weinig scherptediepte.
Kleuren: Tegenwoordig veronderstellen wetenschappers, dat paarden kleuren zien zoals wij mensen met een rood/groenblindheid. Blauw en geel worden bijzonder goed gezien.
Lichtinval: Het aanpassingsvermogen van het paardenoog is vertraagd, vergeleken met die van het menselijke oog. Paarden hebben tijd nodig om van licht naar donker te wennen en andersom. Zij behoren tot de zogenaamde nachtzicht dieren. Zo goed als kattenogen is de prestatie van hun ogen in het donker echter niet. Dingen die paarden met het rechteroog zien, worden in de rechter hersenhelft opgeslagen. Wat met het linker oog wordt waargenomen, wordt links opgeslagen. Daarom schrikken paarden vaak twee keer – de eerste keer, als ze een voorwerp van één kant zien en de tweede keer als ze hetzelfde voorwerp van de andere kant waarnemen.